Veelgestelde vragen: interpreteren fokwaarden Bwb

Waar zijn de fokwaarden op gebaseerd?

Deze fokwaarden zijn alle gebaseerd op zowel Vlaamse als Nederlandse dieren van de betreffende vader. Voor de fokwaarde vruchtbaarheid zijn dat zowel de gegevens uit de ki-service als die van dhz’ers. Voor deze laatste is wel een correctie ingebouwd voor te opvallende resultaten. Al deze gegevens worden vergeleken met de prestaties van Belgisch witblauwe dieren geboren in 2010, waardoor de fokwaarden onderling goed te vergelijken zijn.

Ook de betrouwbaarheid van elke fokwaarde wordt gepubliceerd. Hoe hoger deze betrouwbaarheid, hoe meer dochters van deze stier in rekening zijn meegenomen en hoe betrouwbaarder de fokwaarde zal zijn.

De fokwaarden zijn allemaal van toepassing op de dochters van deze stieren. Of anders gesteld, ze tonen hoe zwaar de nakomelingen geboren worden, hoe vruchtbaar ze zijn of hoe veel groei een zoon van deze stier heeft. Het gemiddelde is telkens 100, de standaardafwijking is 4 in plaats van 10 zoals we gewend zijn in witblauw.

De fokwaarde geeft daarbij telkens aan wat de stier kan brengen ten opzichte van het bedrijfsgemiddelde op het eigen bedrijf. Hoe hoger de fokwaarde, hoe groter veelal de bijdrage van deze stier in het verbeteren van dat kenmerk. Bijvoorbeeld als een stier 104 voor tussenkalftijd heeft, zullen zijn dochters een kortere tussenkalftijd hebben dan een gemiddeld dier op het bedrijf.

Wat zijn de meest belangrijke fokwaarden?

Natuurlijk zal elke vleesveehouder in functie van zijn eigen bedrijf en fokdoel zelf bepalen welke fokwaarden voor hem het belangrijkste zijn. Maar het belang van de ene fokwaarde is toch groter dan dat van de andere.

Een eerste interessante fokwaarde is die van ‘groei vleesstier’, berekend op het karkasgewicht van stieren van 350 tot 850 dagen oud. Deze fokwaarde groei komt goed overeen met de gekende fokwaarde karkasgewicht. Alleen de spreiding is anders (groei = 4 punten, karkasgewicht = 10 punten).

Daarnaast zijn er een aantal fokwaarden omtrent vruchtbaarheid die zeker een bijdrage kunnen hebben in de fokkerijkeuzes van een vleesveehouder. Zo zijn er fokwaarden omtrent tussenkalftijd (TKT), Non-Return (NR) en interval afkalven – eerste inseminatie (IAI), interval eerste – laatste inseminatie (IEL). Vooral de fokwaarde tussenkalftijd is interessant, het geeft immers aan of een stier dochters geeft met een kortere tussenkalftijd dan gemiddeld.

Nieuw is de fokwaarde ‘leeftijd eerste inseminatie (LEI)’. Deze geeft aan hoeveel vroeger of later dochters van een stier voor de eerste keer geïnsemineerd worden. Het is een fokwaarde die zeker waarde heeft in het Belgisch witblauw omdat het de mate van vroegrijpheid aantoont. De fokwaarde ‘Conception Rate’ geeft aan hoe vlot een dier drachtig wordt (is een verhouding tussen aantal drachten en aantal inseminaties).

Hoe interpreteer ik de fokwaarden?

De fokwaarden kennen is natuurlijk een ding, ze goed interpreteren is een andere. Daarom is het interessant om te weten wat het effect van elke fokwaarde in werkelijkheid is.

Algemeen kan je stellen – op enkele kenmerken na – dat hoe hoger de fokwaarde is, hoe beter de prestatie van de dochters is. Hou er ook rekening mee dat het effect voor de helft wordt doorgegeven aan de dochters, de andere helft komt van de moeder.

Zoals eerder gesteld is het gemiddeld 100, de standaardafwijking 4. Op basis hiervoor is voor elke standaardafwijking een werkelijk effect gekend. In de tabel hieronder ziet u het werkelijke effect bij de dochters van de belangrijkste fokwaarden.

Fokwaarde Effect bij dochters van een stier met fokwaarde 104 tegenover een stier met fokwaarde 100
Vruchtbaarheid tussenkalftijd (TKT) - 6,2 dagen Hoe hoger de fokwaarde, hoe korter de tussenkalftijd bij de dochters.
Vruchtbaarheid Non-Return (NR) + 2,8% (NR 56) Hoe hoger de fokwaarde, hoe hoger de Non-Return van de dochters, dus hoe vlotter ze drachtig worden.
Vruchtbaarheid interval afkalven – eerste inseminatie (IAI) - 4,4 dagen Hoe hoger de fokwaarde, hoe sneller de dochters na het afkalven opnieuw geïnsemineerd worden.
Vruchtbaarheid interval eerste – laatste inseminatie (IEL) - 5,8 dagen Hoe hoger de fokwaarde, hoe korter het interval tussen de eerste en de laatste inseminatie van de dochters
Vruchtbaarheid leeftijd eerste inseminatie (LEI) - 3,6 dagen Hoe hoger de fokwaarde, hoe sneller dochters van deze stier een eerste keer geïnsemineerd worden als vaars.
Groei vleesstier + 8,8 kg Hoe hoger de fokwaarde, hoe beter de mannelijke nakomelingen van deze stier groeien.

Voorbeeld: hoe interpreteer ik de fokwaarden Belgisch witblauw

Als voorbeeld nemen we drie oudere stieren met al een groot aantal nakomelingen: Ilot du Bouchelet, Fleuron de Maffe en Gamin des 3 Frontieres.

  Ilot Fleuron Gamin
Tussenkalftijd 99 101 102
Non-return 96 104 99
Interval 1e - laatste inseminatie 99 101 101
Leeftijd eerste inseminatie 105 104 108
Groei stier 105 100 97

Het is duidelijk dat de zonen van Ilot sterkere groeiers zijn dan die van Gamin. Iets wat ook al door de karkasindexen bevestigd werd.

Kijken we naar de vruchtbaarheid van de dochters van deze stieren dan zien we dat de dochters van Gamin gemiddeld het vruchtbaarst zijn. Zo is het verschil voor de fokwaarde ‘leeftijd eerste inseminatie’ tussen Gamin en Fleuron vier punten. Deze vier punten komt overeen met 3,6 dagen. Concreet betekent dit dat de dochters van Gamin gemiddeld 3,6 dagen eerder geïnsemineerd worden dan die van Fleuron.
Daarentegen is de Non-Return van de dochters van Fleuron vijf punten hoger dan die van Gamin en acht hoger dan die van Ilot. Concreet betekent dit dat de Non-Return van de dochters van Fleuron 3,5% (= 2,8% x 5/4) hoger is dan die van dochters van Gamin en 5,6% hoger dan dochters van Ilot.