Beslissen van kalf tot koe: vragen & antwoorden

Antwoorden op de vragen die bij elk hoofdstuk in het eerste gedeelte staan van Beslissen van kalf tot koe.

Hoofdstuk 1: Rond de geboorte

Vraag 1
Noem twee factoren die van invloed zijn op het minimaal aantal kalveren dat veehouders jaarlijks moeten aanhouden.

Antwoord: 1. Het vervangingspercentage en de afkalfleeftijd van de vaarzen.

Vraag 2
Een bedrijf heeft gemiddeld 120 koeien en een vervangingspercentage van 30. Rondom de geboorte sterft 2 procent van de vaarskalveren. In de opfok valt 9 procent uit. Hoeveel vaarskalveren moet dezeveehouder aanhouden?

Antwoord: Veertig. Elk jaar moeten 36 vaarzen instromen (30% x 120 melkkoeien). Echter 11 procent valt uit rondom de geboorte en in de opfok. Dus er moeten nog vier vaarskalveren (11% x 36) extra aangehouden worden.

Vraag 3
Een kalf heeft een moeder met fokwaarde 102 voor beenwerk en een vader met fokwaarde 110 voor beenwerk. Wat is de verwachtingswaarde voor beenwerk van het kalf?

Antwoord: 106. De verwachtingswaarde is de ½ fokwaarde van de vader + de ½ fokwaarde van de moeder.

Vraag 4
Internetopdracht: Op het bedrijfsregister

Antwoord: Dit kan de veehouder herstellen via het meldoverzicht. Door te klikken op herstellen/intrekken wordt de originele geboortemelding weer toegankelijk. Vervolgens kan het geslacht en/of de haarkleur van het kalf worden gewijzigd, en verstuurd naar I&R.

 

Hoofdstuk 2: De opfok

Vraag 1
Waarom is het belangrijk dat een pasgeboren kalf veel, vlug en vaak biest krijgt?

Antwoord: Biest bevat antistoffen die de eerste 24 uur van het leven van een kalf ongehinderd de darmwand kunnen passeren. Dat geeft het kalf de nodige weerstand om de eerste maanden gezond door te komen.

Vraag 2
Wat is een pinkenstier?

Antwoord: een stier waarvan bekend is dat de kalveren gemakkelijk worden geboren. Pinkenstieren zijn te herkennen aan een fokwaarde voor geboortegemak van 102 of hoger.

Vraag 3
Welke borstomvang hebben pinken als ze geïnsemineerd kunnen worden?

Antwoord: De borstomvang bij deze pinken ligt idealiter tussen de 1,70 en 1,72 meter. De borstomvang bij deze pinken ligt tussen de 1,60 en 1,70 meter. De dieren zijn dan tussen de 14 en 15 maanden oud en hebben een kruishoogte van ruim 1,30 meter.

Vraag 4
Een veehouder heeft een gemiddelde levensproductie van 30.000 kg. Wat zijn bij deze levensproductie de gemiddelde opfokkosten per kg melk? Gebruik tabel 2 [pag. 18].

Antwoord: De opfokkosten per kg melk bij een levensproductie van 30.000 kg melk zijn 4,32 cent.
50.000 kg – 25.000 kg= 25.000 kg
4,8 cent – 2,4 cent= 2,4 cent
2,4/25 = 0,096 cent per 1000 kg. Elke 1000 kg hogere melkproductie levert een verlaging van 0,096 cent per kg melk in de opfokkosten. 0,096 x 5 = 0,48
4,80 (opfokkosten per kg melk bij een levensproductie van 25.000 kg) – 0,48 = 4,32 cent.

 

Hoofdstuk 3: Van tocht tot dracht

Vraag 1
Noem de vijf belangrijkste tochtsignalen

Antwoord:
staande tocht/stareflex;
andere dieren bespringen aan de kopkant;
andere dieren bespringen;
kin op het kruis van een andere koe leggen;ruiken/likken aan de kling van een andere koe.

Vraag 2
Wat is de beste tijd om te insemineren? (zie figuur 1)

Antwoord: In de periode tussen de voor- en de natocht. Deze periode duurt ongeveer 18 uur.

Vraag 3
Wat zegt de conditiescore?

Antwoord: De conditiescore zegt iets over de vetreserve/vetbedekking van het dier. Met deze gegevens kunnen veehouders maatregelen nemen op het gebied van voeding en het management.

Vraag 4
Op welke manieren is te controleren of een koe drachtig is?

Antwoord: Als een koe niet meer tochtig is geworden, is ze in theorie drachtig. Toch is het verstandig om het even te laten controleren. Dat kan door middel van scannen al in een heel pril stadium of vanaf dag 42 door middel van rectaal onderzoek.

Vraag 5
Een stier scoort +3 voor de bevruchting. Hoeveel procent van de geïnsemineerde koeien is na de eerste inseminatie drachtig?

Antwoord: 71 procent. Gemiddeld is 68 procent van de koeien/pinken na de eerste inseminatie drachtig. + 3 = 71 procent.

 

Hoofdstuk 4: De kwetsbare 100 dagen

Vraag 1
Waarom is hygiënisch werken belangrijk bij het droogzetten?

Antwoord: Wanneer je niet hygiënisch werkt bij het droogzetten, kunnen bacteriën van je handen of van de buitenkant van de speen bijvoorbeeld, in de uier komen. Hierdoor kan uierontsteking ontstaan. Deze kans is het grootst wanneer geen antibiotica wordt gebruikt, maar alleen teatsealer.

Vraag 2
Waarom moet een koe niet worden afgezonderd van het koppel voor het afkalven?

Antwoord: Een koe moet niet afgezonderd worden van de koppel tijdens het afkalven omdat het een kuddedier is. Afzondering van de kudde levert stress op.

Vraag 3
Noem twee aandachtspunten met betrekking tot hygiëne rondom het afkalven.

Antwoord: Zorg voor een ruime schone afkalfbox en reiniging en ontsmetting van de achterkant van de koe vlak voordat ze afkalft vermindert de kans op besmetting. Onderzoek de koe inwendig nooit zonder eerst de handen te wassen en ontsmetten.

Vraag 4
Noem drie factoren die een rol spelen bij een zwaargeboorte.

Antwoord: de aanleg van de koe, aanleg van de gebruikte stier, het seizoen en de voeding tijdens de droogstand.

Vraag 5
Wat is een negatieve energiebalans?

Antwoord: De negatieve energiebalans ontstaat doordat de koe na het afkalven minder energie kan opnemen dan ze nodig heeft voor de melkproductie. Er wordt dan energie uit vetreserves gebruikt waardoor de koe conditie verliest.

 

Hoofdstuk 5: Prestaties in beeld

Vraag 1
Klauwverzorgers kunnen tien verschillende aandoeningen vastleggen in DigiKlauw. Van welke vijf aandoeningen kunnen ze ook de ernst daarvan vastleggen?

Antwoord: Mortellaro, stinkpoot, zoolbloeding, wittelijndefect en zoolzweer (zie ook pag 162).

Vraag 2
Met welke kengetal zijn koeien onderling te vergelijken op het bedrijf en met welk kengetal zijn de koeien tussen de verschillende bedrijven te vergelijken?

Antwoord: Met het kengetal lactatiewaarde (lw) zijn de koeien onderling te vergelijken op de bedrijven. Met de bedrijfsstandaardkoe (bsk) zijn koeien te vergelijken tussen de verschillende bedrijven.

Vraag 3
Op welke zaken wordt het melkmonster standaard onderzocht bij de mpr-deelnemers?

Antwoord: De melkmonsters worden bij mpr-deelnemers van CRV standaard onderzocht op het percentage vet en eiwit, ureum, lactose en ketose. Deze onderzoeken geven een toegevoegde waarde aan de mpr omdat ook gezondheids- en voedingsaspecten beoordeeld kunnen worden aan de hand van deze gegevens (zie ook pagina 91).

Vraag 4
Op welke manier kun je aan de mpr-cijfers zien of het voerrantsoen goed is samengesteld?

Antwoord: Het onderzoek op ketose geeft de veehouders een duidelijk overzicht van de dieren die zeker (sub)klinische melkziekte hebben (zie ook pagina 106). Het ureumgetal geeft een indicatie voor de benutting van het eiwit in het rantsoen. Vooral de verhouding tussen energie en eiwit is bepalend voor het ureumgetal.

Vraag 5
Wat zijn de afwegingen die veehouders maken bij het kiezen tussen drie-, vier-, vijf- of zesweekse mpr?

Antwoord: Zie pag. 111 voor de vele verschillende vormen van mpr. Als de tussenpozen langer worden, bijvoorbeeld bij zesweekse mpr, beschikt de veehouder niet altijd over ‘up to date’-informatie. De meeste veehouders kiezen daarom voor vierweekse mpr. Hierdoor krijgen ze vaker informatie en kunnen ze maandelijks bijsturen. Het is een gulden middenweg voor snelle, betrouwbare en betaalbare informatie.

Vraag 6
Met welke producten zijn de vruchtbaarheidsknelpunten in beeld te brengen?

Antwoord: Op het bedrijfsoverzicht van Vruchtbaarheidsattentie (zie ook pagina 138) worden alle sterke en zwakke punten op het gebied van de vruchtbaarheid in beeld ebracht. Ook het STO-Vruchtbaarheidsoverzicht (pagina 140) brengt de primaire en secundaire kengetallen rondom de vruchtbaarheid in beeld.

Vraag 7
Wat is het voordeel van de InSire TalentScan?

Antwoord: De InSire TalentScan legt op een betrouwbare manier de erfelijke kwaliteiten bloot van de vrouwelijke dieren en geeft daardoor maximaal inzicht in de erfelijke kwaliteit van de veestapel (zie ook pagina 189).

Vraag 8
Waaraan kun je met CRV Mineraal op een eenvoudige manier voldoen?

Antwoord: Aan alle overheidseisen op het gebied van de mineralenhuishouding.

Vraag 9
Noem een aantal keuringsevenementen

Antwoord: Er zijn vele plaatselijke of regionale keuringen zoals in Bedum, Opmeer, of Saasveld. Tijdens CRV Koe-Expo’s wordt ook regelmatig een keuring georganiseerd voor de fokkers uit dat gebied. Jaarlijks is de HHH-show in Zwolle en elke twee jaar de NRM (Nationale Rundvee Manifestatie).

 

Hoofdstuk 6: De basis van de fokkerij

Vraag 1
Wat is een fokwaarde?

Antwoord: De geschatte erfelijke aanleg van een dier voor een bepaald kenmerk.

Vraag 2
Wat is het verschil tussen een fokwaarde en een index?

Antwoord: Een fokwaarde hoort bij één kenmerk, een index is een combinatie van verschillende fokwaarden. Zo is inet een combinatie van kg melk, eiwit en vet.

Vraag 3
Noem vijf onderbalkkenmerken en de vier bovenbalkkenmerken.

Antwoord: Zie pagina 58 voor alle onderbalk- en bovenbalkkenmerken.

Vraag 4
Welke score voor melksnelheid is beter: 100 of 110? Waarom?

Antwoord: Een score 100 voor melksnelheid is beter dan 110, want bij een zeer hoge melksnelheid is de kans op melk uitliggen groter.

Vraag 5
De nvi combineert informatie van verschillende fokwaarden om dieren te kunnen rangschikken op fokdoel. Welke kenmerken worden meegenomen in de berekening van nvi?

Antwoord: In de berekening voor nvi worden inet, levensduur, celgetal, vruchtbaarheid, uier en beenwerk meegenomen.

 

Hoofdstuk 7: Strategisch fokken

Vraag 1
In welk van de onderstaande situaties zullen veehouders de meeste vooruitgang boeken in de fokkerij?
A Bij veel spreiding tussen dieren en een lage erfelijkheidsgraad van het kenmerk.
B Bij heel weinig spreiding tussen dieren en een hoge erfelijkheidsgraad van het kenmerk.
C Bij veel spreiding tussen dieren en een hoge erfelijkheidsgraad van het kenmerk.

Antwoord: C. Bij veel spreiding tussen dieren en een hoge erfelijkheidsgraad van het kenmerk

Vraag 2
Hoeveel kans heb je op een roodbont vaarskalf als je een roodbonte koe met een zwartbonte stier paart die de roodfactor heeft? De roodfactor is een recessief kenmerk.

Antwoord: De kans op een roodbont kalf is 50 procent. De helft van de kalveren zal roodbont zijn, de andere helft zwartbont mét roodfactor. De kans op een vaarskalf is ook 50 procent. Dat betekent dat de kans op een roodbont vaarskalf 25 procent is.

Vraag 3
Wat is heterosis?

Antwoord: Het heterosiseffect betekent dat de nakomelingen beter zijn dan het gemiddelde van beide ouders.

Vraag 4
Wat is een driewegrotatiekruising? Wat is het voordeel hiervan?

Antwoord: Een driewegrotatiekruising betekent dat er met drie verschillende rassen gekruist wordt en er elke generatie een ander ras wordt ingezet.

Vraag 5
Wat is een inteeltdepressie?

Antwoord: Een inteeltdepressie kenmerkt zich door een lagere productie en een verminderde weerstand. Van vooruitgang in de fokkerij is geen sprake meer. Inteeltdepressie is het tegenovergestelde van heterosis.

 

Hoofdstuk 8: Rassen die passen

Vraag 1
Noem drie Nederlandse koeienrassen

Antwoord: Fries-Hollands, blaarkop, Maas-Rijn-IJsselvee.

Vraag 2
Noem drie buitenlandse koeienrassen die in Nederland aanwezig zijn

Antwoord: Voorbeelden van buitenlandse koeienrassen die in Nederland aanwezig zijn, zijn: brown swiss, fleckvieh, jersey, montbéliarde, Zweeds roodbont.

Vraag 3
Wat zijn de voordelen van het kruisen van een holsteinkoe met een Belgisch-witblauwe stier?

Antwoord: Het vlees is van hoge kwaliteit, de kalveren zijn goed herkenbaar en de kalveren zijn goed te herkennen.

Vraag 4
Noem drie vleesrassen

Antwoord: Voorbeelden van vleesrassen zijn: Belgisch witblauw, blonde d’Aquitaine, charolais, limousin, piemontese, verbeterd roodbont.