Fokwaarden voor melkproductie: van drie naar vijf lactaties

categorie AEU-blog
20
nov
2017
0
Reacties
melkproductiekenmerken

De fokwaarden voor melkproductie werden altijd gebaseerd op proefmelkingen uit de eerste drie lactaties van melkkoeien. Sinds april 2017 nemen we ook de proefmelkingen van lactaties vier en vijf mee. Wat verandert dit aan de fokwaarde melkproductie?

De belangrijkste verandering is natuurlijk de toevoeging van twee extra lactaties aan de fokwaardeschatting: de vierde en vijfde lactatie. Lactaties vier en vijf worden opgenomen als twee aparte kenmerken, naast lactatie één, twee en drie. Deze toevoeging is vooral zichtbaar op het tabblad ‘achtergrondinformatie’ in Stierzoeken, waar de fokwaarden per lactatie worden weergegeven. Dit betreft overigens de productie-fokwaarden voor melk, vet, eiwit en lactose, maar ook de mpr-kenmerken celgetal en ureum, evenals de fokwaarde persistentie.

 

Extra gegevens

In het basisjaar (2010) was twaalf procent van alle geregistreerde lactaties een vierde lactatie en zeven procent was een vijfde lactatie. Vergeleken met vooral de eerste twee lactaties betekent dit dat er fors minder gegevens beschikbaar zijn over de vierde en vijfde lactatie. Daardoor wegen deze lactaties minder zwaar in de totale fokwaarde dan de andere lactaties.

In de oude situatie was de verdeling van lactaties in de totaalfokwaarde zoals weergegeven in figuur 1, links. Met de opname van de vierde en vijfde lactatie in de fokwaarde is de verdeling zoals rechts weergegeven in de figuur. Hier is te zien dat de vierde en vijfde lactatie 23% van de totale productie-fokwaarden bepalen. De invloed van de eerste twee lactaties nemen af van 74% naar 57% van de totale fokwaarde.

De verdeling van lactatiefokwaarden in de totaalfokwaarde voor de oude situaties met drie lactaties (links) en de nieuwe situatie met vijf lactaties (rechts)

 

Rekenen met langere lactaties

Naast het toevoegen van lactaties vier en vijf is er een tweede aanpassing doorgevoerd om de fokwaarden voor melkproductie te verbeteren. In de fokwaardeschatting wordt nu ook gerekend met langere lactaties. Fokwaarden worden nu berekend op basis van proefmelkingen tot en met dag 420. Eerder werden alleen proefmelkingen meegenomen tot dag 335 van de lactatie. Omdat steeds meer melkkoeien langere lactaties maken, hebben we deze verandering doorgevoerd.

De melkproductiefokwaarde van een melkkoe wordt voor het belangrijkste deel bepaald door haar lactatiecurve. Eerder werden die curven berekend op basis van testdagen tot en met dag 335. Nu de lactatiecurve is opgerekt naar 420 dagen, kunnen we meer testdagen meenemen. De lactatiecurven zijn daardoor nauwkeuriger, waardoor ook de nieuwe fokwaarden nauwkeuriger zijn. In de berekening houden we ook rekening met bedrijfsgenoten. Door het gebruik van langere lactaties zitten er per dier ook meer bedrijfsgenoten in de berekeningen van de fokwaarden. Dit verhoogt de betrouwbaarheid van de fokwaarden voor producerende koeien.

Ook al nemen we langere lactaties mee voor de berekening, dat betekent niet dat de fokwaarden zelf veranderen. Melkproductie-fokwaarden blijven fokwaarden voor producties van 305 dagen.

Meer gegevens

Door de toevoeging van twee lactaties en de langere lactatie-curven in de fokwaarden melkproductie is de hoeveelheid data in de fokwaardeschatting behoorlijk toegenomen. De toename van het aantal dieren valt nog mee; er zijn zo’n 100.000, vooral oudere, dieren bijgekomen. Dit zijn dieren die in hun vierde of vijfde lactatie waren in 1990, vanaf dat moment nemen we de gegevens mee voor deze fokwaarden. In totaal zijn proefmelkingen meegenomen van zo’n 12,9 miljoen dieren (april 2017).

Het aantal lactaties in de fokwaardeschatting is toegenomen van 23,7 miljoen naar 30 miljoen, een stijging van ruim 6 miljoen lactaties. Maar de grootste toename zien we in het aantal proefmelkingen waarmee we rekenen. Dat aantal neemt toe van 200 miljoen naar 268 miljoen een toename van 68 miljoen proefmelkingen (april 2017).

 

Aantallen dieren, lactaties en proefmelkingen in de fokwaardeschatting in de nieuwe situatie met vijf lactaties ten opzichte van de oude situatie met 3 lactaties (april 2017)
‘oude fokwaarde’ ‘nieuwe fokwaarde’
Aantal dieren 12.772.750 12.890.353
Aantal lactaties 23.620.354 29.922.868
Aantal proefmelkingen 200.185.532 268.031.173

 

De gevolgen

De aangepast melkproductie-fokwaarden hebben met name effect op dieren die in latere lactaties een grotere toename in productie laten zien. Dergelijk dieren laten een hogere fokwaarde laatrijpheid zien. Maar door de grote overeenkomsten tussen producties in lactaties drie, vier en vijf verandert er gemiddeld niet veel in de laatrijpheidsfokwaarden.
De effecten op de totaalfokwaarden zijn ook niet groot. Voor individuele dieren laten de fokwaarden wat veranderingen zien. Maar de rangorde van dieren vrijwel ongewijzigd.

We gebruiken nu meer lactaties voor de fokwaardeschatting. Met het toevoegen van deze extra informatie zijn de fokwaarden voor melkproductie nog beter geworden.

 

Nieuwe schattingen erfelijkheidsgraden

Vanwege de introductie van langere lactaties in de fokwaardeschatting hebben we ook de erfelijkheidsgraden opnieuw geschat. In de tabel is een overzicht gegeven van de erfelijkheidsgraden van de melkproductie-kenmerken. Te zien is dat de erfelijksheidsgraden van lactaties drie, vier en vijf hetzelfde zijn. Dit komt door de grote genetische overeenkomsten tussen deze lactaties.

 

Erfelijksheidsgraden van melkproductie-kenmerken in de nieuwe melkproductie-fokwaardeschatting.​ 
 lactatie
1 2 3 4 5
kg melk 0,48 0,41 0,40 0,40 0,40
kg vet 0,48 0,44 0,40 0,40 0,40
kg eiwit 0,39 0,36 0,35 0,35 0,35
kg lactose 0,47 0,42 0,40 0,40 0,40
celgetal 0,21 0,27 0,28 0,28 0,28
ureum 0,63 0,64 0,65 0,65 0,65
laatrijpheid 0,20
persistentie 0,09 0,13 0,15 0,15 0,15

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *